Columns

 

Carry van Bruggen

(Caroline Lea de Haan – 1881-1932)

 

Carry van Bruggen schreef tussen 1907 en 1927 ruim twintig novellen en romans. Vier van haar boeken heeft zij geschreven onder het pseudoniem Justine Abbing. Zij schreef ook twee wijsgerige studies, Prometheus en Hedendaags Fetisjisme. Vooral Prometheus is een indrukwekkende studie, die nog steeds herdrukt wordt. Bovendien werkte zij, om als gescheiden vrouw met kinderen aan de kost te komen, als columniste voor kranten en tijdschriften en hield zij veel lezingen. In het Nederland van de eerste decennia van de vorige eeuw een van de bekendste schrijfsters. Voor veel jonge vrouwen was een rolmodel, zij vertegenwoordigde voor hen de moderne, zelfbewuste en onafhankelijke vrouw, die weinig aantrok van het keurslijf waarin de maatschappij de vrouwen wilde vasthouden. In die zin was zij in haar tijd de schrijfster van de vrouwenemancipatie, al moest zij zelf niets hebben van het soort feminisme dat stelt dat mannen en vrouwen gelijk zijn. Aan de vrouwenbeweging, die zich uitsluitend bezig hield met het verkrijgen van gelijke rechten voor vrouwen, nam zij niet deel. Zij was van mening dat het “vrouwenprobleem” niet op te lossen met het verkrijgen van rechten. Volgens haar was het een psychologisch en emotioneel probleem. De vrouw is voor haar een ander wezen dan de man, met andere mogelijkheden en talenten en daarom ook een andere bestemming; absoluut gelijkwaardig, maar niet gelijk aan de man.

In haar filosofische werk onderscheidt Carry twee tegengestelde drijfveren in ieder mens: een verlangen je te onderscheiden als individu, uniek, anders dan ieder ander; en daartegenover een even sterk verlangen op te gaan in het grote geheel van de schepping. De mens is dus in wezen eenzaam, ieder mens moet haar of zijn eigen keuze maken; en tegelijkertijd verbonden met de hele mensheid en de schepping.

‘Ik ben. Dit ben ik – dit is mijn Lijf. Binnen in mijn Lijf draag ik mijn Geweten, ben ik mijn geweten. Er zijn de Dingen van het Lijf, en er zijn de Dingen van het Geweten en ik ben alleen. Ik ben heel alleen. Mijn lijf is het lijf van de hele wereld en mijn geweten is het geweten van de hele wereld en ik ga zo alleen als die prop papier door het donker, door de eindeloos lange straat. Wie zal mij helpen, wie mij vertroosten? Misschien nog het best van al die wonderlijke Vriend, die Verwondering heet’. (Uit: Eva, 1927)

(In haar boeken is het avonturen in de geest van een ander mens. Zij bespaart haar personages niets. Geen detail binnen in de huid van de personages blijft onbesproken, onopgemerkt. Zij steekt het mes tot in de botten van de personages en haalt de ragfijne persoonlijkheid van hun eruit. Het lijkt alsof de taal haar meer woorden biedt, dan aan ieder ander auteur, want Carry kan alle, echt alle, kleine detail van het verhaal, op papier zetten.)

Zelf was zij in hoge mate individualist. Ze wilde zich niet neerleggen bij de geldende huwelijksmoraal, waarin trouw en afhankelijkheid als deugd worden gezien bij vrouwen. Haar visie hierover is terug te vinden in haar romans, o.a. in “Uit het leven van een denkende vrouw” 1920, onder het pseudoniem Justine Abbing. Ze had een enorme hekel aan groepsvorming, met de bijbehorende ideeën over eigen superioriteit en minderwaardigheid van alle andere groepen. Zij noemt dat fetisjisme. In Hedendaags fetisjisme neemt ze felle standpunten in tegen racisme, nationalisme, religieus chauvinisme en het onderscheid tussen maatschappelijke klassen.
Naast de troost die zij ontving van “die wonderlijke vriend, die Verwondering heet” was voor haar Liefde een bron van kracht. Door liefde kan een mens zijn door het leven gegeven eenzaamheid doorbreken. In de roman Heleen schrijft ze:

‘Liefde spaarde ze. Ze had aan het bestaan van elk ding getwijfeld, tot aan haar eigen oprechtheid, tot aan haar eigen bestaan. Liefde betwijfelde ze niet. Liefde bestond. De scherpe stem binnen in haar zei, dat dit onredelijk was, dat ze ook liefde behoorde te ontrafelen en daarna te ontkennen; ze luisterde en knikte als een kind tegen de meester – ja, hij heeft wel gelijk – keerde  zich om en huppelde neuriënd verder.’

Haar ontwikkeling heeft zij beschreven in een aantal romans, hoewel die niet helemaal autobiografisch zijn, in de derde persoon zijn geschreven en de hoofdpersoon telkens een andere naam heeft. Het huisje aan de sloot is opgebouwd uit vierentwintig schetsen uit het leven van een klein joods meisje en haar broertje. In dit boek is er sprake van een kinderwereld die tegenover de wereld van de volwassen staat. In dit boek spreekt zij met warmte over de joodse rituelen, maar in De verlatene, het eerste boek waarmee zij bekend werd, had zij de problematiek van het je losmaken uit je godsdienstig milieu uitgebeeld.
Uit verbittering, door haar omgeving die met regelmaal afgunst en jaloezie toonde, schreef ze Een coquette vrouw. Het boek gaat niet letterlijk over haar eigen leven, maar de hoofdpersoon gaat wel door dezelfde fase heen, waarin Carry in die tijd zich ook bevond (het stukgaan van een huwelijk). De romans Heleen en Eva (waaruit hierboven al werd geciteerd) geven het vervolg van haar ontwikkeling weer. Eva uit 1927 zou haar laatste boek blijven.

Zij stierf in 1932.

Haar leven bleef een verlangen naar een onbegrijpbaar en ongrijpbaar iets of iemand.

Ik ben voorgoed wakker en zal nooit meer daar of waar dan ook gaan.

 Copyright: Saya Yasmine Amores

 

Saya Yasmine Amores

 ZOEKEN NAAR SLORY

Een reis door Suriname

 Ezra de Haan 

Zoeken naar Slory is een ode aan de Surinaamse dichter Michaël Slory. Het boek is mooi verzorgd. Een foto van Michaël Slory voorin. Een foto van de auteur Ezra de Haan achterin. Het lettertype van het boek is rustgevend voor de ogen. De omslag ervan is echt een Surinaams gezicht: spelende kinderen onder de schaduw van een boom. In dit geval, twee jongens die met een stok spelen in hun huiskleren die onder stof zit. De hitte en de stof van het erf maken schone kleren in een paar ogenblikken vies. Moeders kunnen blijven wassen en strijken. De volgende dag zijn de kleren weer vies, maar de kinderen storen zich er niet aan. Zij hebben plezier en vertier in de dagelijkse kleine dingen die hen gelukkig maakt: spelen met een stok, knikkeren, een boom beklimmen, of andere spelletjes.

Ik schrijf geen recensie over het boek, maar een persoonlijke mening, omdat ik de titel erg mooi vind. Hoe heeft De Haan zo’n titel kunnen bedenken? 

 ‘Het boek is een geconstrueerde reisroman,’ zegt De Haan in een gesprek. Maar het verhaal, de reiservaringen, de belevenissen in het boek lijken meer op een Persoonlijk Reisessay. Het verhaal is spannend geschreven, het houdt de aandacht van de lezer vast. Het zoeken naar de legendarische dichter is de bezieling van dit boek. De lezer wil weten wanneer De Haan de dichter Michaël Slory ontmoet? -- en hoe de ontmoeting zal gaan.  En waarom zoekt hij eigenlijk naar hem? Suriname heeft toch veel meer dichters!

Deze reis die De Haan naar Suriname maakt is te vergelijken met een reis naar een voorouderland of een vaderland. Iemand die vele generaties later opzoek gaat naar dingen waar hij heel zijn leven mee bezig was. Dan heb je zoveel vragen, fantasieën en beelden over hoe dat land zal zijn? En jezelf afvragen wie en wat je wel tegen zal komen. Het is zoeken naar iets: een thuisgevoel. Een soort van herkenning en erkenning dat je er bent in je land van oorsprong. 

Ik voel een spanning bij De Haan. En die spanning heeft niet alleen te maken met Michaël Slory. Maar ook omdat De Haan’s literaire carrière als schrijver dichter en auteur al tientallen jaren verbonden is met de Surinaamse schrijvers en dichters. Los hiervan heeft Suriname een koloniaal verleden. Zal Suriname wel hetzelfde Suriname zijn als De Haan in zijn gedachtewereld geschapen heeft aan de hand van de verhalen die hij over Suriname gehoord heeft door de jaren heen?

In dit boek vertelt hij heel weinig over zijn eigen literaire carrière.

Door het hele boek vertelt hij kleine stukjes geschiedenis van het land. Voor een lezer is het erg belangrijk om te weten hoe Michaël Slory met een Afrikaans afkomst in Suriname geboren werd.

Dus: Columbus – dan de slavernij – en dan—

Ooit waren de voorouders van Michaël Slory Zoutwatercreolen (Afrikanen). Vele generaties later werd er een groot dichter geboren. 

Tussen de hoofdstukken door vervlecht De Haan gedichten van Michaël Slory die betrekking hebben op het land, mensen en situaties die hij tijdens zijn dagelijkse wandelingen tegenkomt.

Het boek begint met een flashback tussen de schrijfster Cynthia mcLeod en De Haan. Zij vertelt dat zij Michaël Slory sinds haar schooltijd kent. Ze zaten samen in één klas. En dat Michaël Slory ook een heel goede pianist is. Piano spelen leerde hij van de paters op de katholieke school. Michaël Slory ging naar Nederland om Spaans te studeren. Hij maakte zijn studie niet af – heimwee bracht hem terug naar zijn vaderland. Hij nam een map vol met gedichten mee. Terug in zijn vertrouwde omgeving begon hij nog meer gedichten te schrijven en te publiceren in eigen beheer. Hij werd een bekende dichter. Hij zou niet meer terugkeren naar Nederland. Ook niet wanneer hij vele jaren later, één van de grootste dichters van Suriname werd en verschillende uitnodigingen kreeg voor optredens in Nederland. Hij wees iedere uitnodiging af.

Uit eerdere artikelen die over Michaël Slory geschreven zijn, blijkt dat zijn familie niet blij was toen zij hoorden dat hij zijn studie niet afgemaakt had en een dichter werd. Zij hadden liever dat hij een vaste baan had en stabiele inkomsten. Gedichten schrijven alleen had een onzekere toekomst. 

In het vliegtuig.

 ’Slory? Michaël Slory?’ vraagt de donkere man naast mij in de vliegtuigstoel als ik hem de reden van mijn reis naar Suriname vertel. ‘Die ken ik, daar heb ik nog les van gehad op de handelsschool. Slory was een aardige man en een goede leraar. Heel anders dan de anderen. Hij bracht ons kunstgeschiedenis bij, op zijn eigen manier. Vertelde over de Maya’s en Azteken. Niet dat ik daar altijd zin in had. Zo laat op de dag was het bloedheet in de klas. Je wilde liever slapen… en toch heb ik, vreemd genoeg, veel van hem opgestoken.’

Het gesprek met de Indiaan, Ricardo genaamd, vordert. Zeer gemoedelijk vertelt hij dat hij in Utrecht woont en dat hij zijn eigen taal Arowaks niet kent. Hij kan ook niet met de hand eten zoals iedere Arowaks het betaamt te doen. Maar hij weet wel de levensstijl van zijn Indianenvolk in details te vertellen. Hoe vissen gevangen worden? Eerst verdoven met liaan dan --. Hoe krabben gevangen worden? Voorzichtig dat de krab met zijn schaar je vingers niet afsnijdt. Hij vertelt over zijn intense verlangen naar het Indianen dorp Galibi waar zijn vrouw vandaan komt.

Zeer openhartig vertelt hij over sjamanen die mensen genezen. Het is niet duidelijk hoe De Haan, Ricardo aan de praat gekregen heeft, want over het algemeen is men zeer voorzichtig met zulke onderwerpen: aan wie men wat vertelt. Als je iemand erover vraagt, reageert die onverschillig, zoiets van: Ik houd mij niet bezig met dat soort zaken. Men wil er niet over praten. Ze doen er geheimzinnig over. Maar Ricardo vertelt klakkeloos alles. Dacht hij: bij de Hollander is mijn geheim veilig, want die kent toch niemand uit mijn netwerk? Dan vertelt hij over de winticultuur, hoe het werkt als je erin gelooft. Hij doopte zijn nieuwe auto met bier en reed negen maanden lang schadeloos. Bij de tweede auto slaat hij het ritueel over en dan gaat het niet goed met de auto. Zo zie je maar wat winti doen kan. Het toestel landt in het beloofde land:

Het land van Michael Slory. 

De Haan wordt afgehaald door de taxichauffeur Kishore. Hij wordt meteen ingewijd in de vrouwencultuur. Dat hij voorzichtig moet zijn met jonge meisjes, want die worden gauw zwanger --

Wat Kishore niet weet is dat De Haan drie doelen voor ogen heeft: 1. Zoeken naar Slory. 2. Les geven aan de Schrijversvakschool. 3. Terug gaan naar zijn vrouw in Amsterdam. Eindelijk komt De Haan aan in zijn guesthouse waar hij een maand lang zal verblijven.

‘Ik zie dat ik airco heb en dat in de woonkamer een ventilator aan het plafond hangt. Zelfs ‘s avonds laat blijkt het hier erg warm te kunnen zijn. Mijn overhemd plakt aan mijn rug. De vermoeidheid van de reis komt plotseling los. Ik blijk niet eens in staat uit te rekenen hoe laat het nu in Nederland moet zijn. Alleen slaap kan dat verhelpen en kort nadat ik het appartement bekeken heb, ga ik naar bed. Een tweepersoonsbed in een inmiddels door de airco tot ijskast omgetoverde slaapkamer.’ 

Rum-Cola-televisie, bieden hem troost. Moe valt hij in slaap in een kamer met airconditioning. Wat wil een toerist nog meer in een tropisch land?

Volgende ochtend wordt hij door Kishore afgehaald, die verder gaat met zijn college over meisjes en seks. De Haan luistert er maar half naar. Zijn aandacht is meer op het beleven en ervaren van het veel besproken land: Suriname - en wat Michaël Slory allemaal erover geschreven heeft.

De Haan maakt er een traditie van om dagelijks rond te dwalen in de binnenstad van Paramaribo. In de boekhandel komt hij een boek tegen van Michaël Slory: Waar wordt de lucht gemolken? Met een voorwoord van wijlen Ton Wolf, een zeer gewaardeerde Hollandse hoogleraar die naar Suriname emigreerde om les te geven op een middelbare school. Hij schreef ook artikelen voor de zaterdagse literaire pagina van De Ware Tijd Literair. De naam Ton Wolf verkoopt. Niet omdat hij beroemd was, maar omdat hij bekend was om zijn integriteit: een mens met oprecht zelfrespect en een overdosis aan eigenwaarde.

 ‘Alleen al om reden van het voorwoord van Ton Wolf wil ik het hebben.’

De warme dagen verstrijken, De Haan heeft Michaël Slory nog niet kunnen bereiken. Hij heeft een boodschap achter gelaten bij de portier van De Ware Tijd, want de dichter komt daar dagelijks om de krant op te halen.

Maar De Haan loopt hem steeds mis.

Al wandelend komt hij terecht in het kloppend hart van Paramaribo: de Centrale Markt. Hij is verrast over de drukte aldaar en de kleurrijke mensen met hun koopwaar. Alles maakt een sterke indruk op hem. Vooral omdat men in Nederland geen overdekte markt kent. Hij komt achter de markt bij de visafdeling en daarachter ligt de Suriname rivier. Daarin ligt het gezonken en roestbruin geworden wrak van het schip Goslar.

[Wikipedia: Goslar (schip, 1929). De Goslar is een Duits koopvaardijschip dat op 10 mei 1940 tot zinken is gebracht in een nauwe bocht van de Suriname-rivier bij Paramaribo. Bij een poging om het schip te bergen en het metaal als schroot te verkopen brak de romp in tweeën…Het roestende wrak is een stille getuige van de Tweede Wereldoorlog in Suriname.]

De Haan dwaalt verder weg naar de Gravenstraat. De Kathedraal, het grootste houten gebedshuis van Zuid- Amerika, maakt een enorme indruk op hem. Moe van het wandelen en ronddwalen, gaat hij terug naar zijn kamer en schenkt wat rum en cola in. De Ware Tijd brengt gewelddadig in het land. Ook dat is Suriname. (Verrassend in dit boek is de driehoeksverhouding: rum-cola-televisie die telkens weer terug komt. En niet te vergeten, de vermaarde krant van Suriname: De Ware Tijd. Deze vier elementen maken zijn reis compleet.)

 Suriname is niet alleen rozengeur en maneschijn. Tijdens een van zijn wandelingen in de binnenstad wordt De Haan verrast door de koloniale verloedering. Oude kapotte huizen, vrouwen die om geld vragen. Maar hij komt ook culturele dingen van verschillende bevolkingsgroepen tegen - dat is Suriname. Suriname is geen land op zichzelf met eigen volk sinds de Indianen hun land ontnomen werd. Het is nu een kleurrijk land met kleurrijke mensen en kleurrijke talen en culturen. Tijdens één van zijn wandelingen op de Centrale Markt wordt hij ingewijd in kruidenkunde: over vagina vernauwing en erectie. De markt, die eerst vol van kleuren, geuren, geluiden en lachende en roepende mensen was, laat nu een ander gezicht zien: arme boeren met schrale producten zitten op kopers te wachten. Hoe overleven de mensen met zulke magere inkomsten? vraagt De Haan zich af. Het leed van de ander doet hem pijn. Zo nu en dan krijgt hij de kans om iemand beter te betalen, zodat die persoon geholpen is met wat extra inkomsten.

Het huis van Anton de Kom mag niet gefotografeerd worden volgens een voorbijganger. De Haan had kunnen vragen: ’Meneer hebt u een goede uitleg waarom ik een monumentaal huis niet mag fotograferen?’ En daarna zeggen: ‘—maar meneer, ik schaam mij diep om wat mijn voorvaderen uw voorvaderen aangedaan hebben.’ Mogelijk zou de boosheid van die ander persoon meteen wegzakken, want dit is wat zij horen willen: dat iemand toegeeft dat het kolonialisme niet goed was. 

Wetenswaardige dingen in dit boek zijn de stukjes geschiedenis die De Haan spelenderwijs vervlecht in zijn dagaantekeningen, bijvoorbeeld: Indianen hadden de Marrons (toen ze wegvluchtten van de plantages) opgevangen en leerden aan hen hoe kunstzinnige attributen te maken met hout ( houtsnijwerk).

Intussen is hij een week verder en nogsteeds geen nieuws over Michaël Slory. Taxichauffeur Kishore, die langzaam aan zijn vriend is geworden, komt hem bijna iedere ochtend ophalen. Bij het verkeerslicht staat een bericht voor mensen die aan het dagdromen zijn aan het stuur: ‘Bij het groene verkeerslicht dient u op te rijden.’ Na een lange rit her en der in het land komt hij iedere middag moe terug op zijn kamer die hij langzaam aan ‘thuis’ is gaan noemen. Dan het paradijselijk ritueel: rum-cola-televisie. - De Ware Tijd heeft Suriname geleidelijk aan in het wilde Westen veranderd. Geweld hier – geweld daar – moord hier – moord daar. Langzaamaan begint de reiziger het totaalbeeld van Suriname te krijgen, dat het niet alleen maar een zonnig paradijs is. En tegelijkertijd heeft hij bewondering voor het land dat in details beschreven is in de gedichten van Michaël Slory. Surinaams-Afrikaans vrouwen en hun lichaamsbouw is een terugkerend thema in dit boek. In een land met verschillende bevolkingsgroepen gaat men soms bewust en soms onbewust op elkaars uiterlijke verschijningen letten. De Haan citeert een gedicht van Michaël Slory.

         Als een vrouw zwart is

        en haar huid glanst.

        Daar houd ik van!

 

        Als haar tanden 

       wit zijn als dauw

       wit zijn als melk.

 

       Daar houd ik van!

 

      En als d’r haar donker is

      zwarte rijstkorrel tussen

      de gele.

      Donkere korrel!

 

      Zo wens ik haar te zien!

 

      Een vrouw die pikzwart is,

      met een gezicht rond als een kundu

      of een obe.

 

      Die wil ik liefhebben

      o vrouw, waar ik je ook vinden mocht!

 Zijn nieuwe, maar zeer trouwe vriend, de grietjebie, maakt hem iedere ochtend wakker. En als De Haan niet vroeg uit de veren wil, gaat grietjebie met zijn snavel tegen de ruit van het raam aan tikken. Weer gaat hij naar het hoofdkantoor van De Ware Tijd. Maar neen, nog steeds geen nieuws van de dichter. Dan wandelt hij weer de stad in. Hij bestelt krab met kerriesaus (blijkbaar heeft zijn enthousiasme te maken met het gesprek met Ricardo, die in het vliegtuig over krabben vertelde). De eigenaar van het restaurant waarschuwt hem dat het een duur gerecht is. Maar De Haan wil voor eens en altijd Surinaamse krab met kerriesaus geproefd hebben. Tot hij ontdekt dat het eten van een krab een gebeuren op een slagveld is. En de saus bereikt zijn voorhoofd. De lezer zou graag een foto van dit tafereel willen zien.

     ‘Mijn krab komt eindelijk. Ik krijg een schort voorgebonden en een houten hamer in de hand gedrukt. De krab drijft in een geelbruine saus die opspat als ik op de poten sla. Mijn handen en nagels kleuren al snel net zo bruingeel als de rijst. De smaak is intens en ik vraag om het tweede biertje, na drie kwartier laat ik een slagveld achter in de schaal en op de tafel. De saus is tot op mijn voorhoofd.’ 

Wanneer hij de rekening betaalt, merkt hij dat hij afgezet is.

De Haan brengt zijn zoveelste bezoek aan de Centrale Markt waar hij denkt Michaël Slory te vinden, maar tevergeefs. Zijn de geruchten dan niet waar dat de vermaarde dichter elke dag op de markt zou zijn om zijn handgeschreven gedichten aan de man te verkopen? Wanneer het regent zijn de straten vol water. De Haan rent de taxi van Kishore binnen die ergens op hem heeft zitten wachten.

   ‘De bakoven is in een rivier veranderd. In de enorme plassen weerspiegelen zich de oude, houten huizen. Mensen schuilen onder balkons.’

De Haan woont literaire avonden bij waar hij tal van Surinaamse schrijvers en dichters ontmoet. Michaël Slory, is er niet bij. Eindelijk vertelt De Haan over zijn tweede reden: waarom hij naar Suriname gekomen is? Namelijk, les geven op de schrijversvakschool. Een paar van zijn aankomende studenten zijn aanwezig bij de literaire avond. En dat hij schrijver en dichter is (voor de lezer die de auteur nog niet kent) blijkt uit de zin: ‘Ik praat lang met Gerrit Baron die net als ik dichter en schrijver is en ook een radioprogramma heeft.’

Half twee in de nacht tikt grietjebie tegen het raam aan. Eigenlijk te laat voor een vogel. Wil hij aan De Haan laten weten, dat hij er nog is?

De Haan boekt een excursie naar Danpaati, een dorp in het binnenland van Suriname. Hij pakt in om te vertrekken. Er zijn teveel afleidingmanoeuvres op de weg naar het zoeken en vinden van Michaël Slory. Waarom hij niet naar het huis van de dichter gaat, in het district Coronie, is niet duidelijk. Dacht hij: eerst wil ik het Suriname leren kennen die Michaël Slory beschrijft en daarna wil ik hem ontmoeten? 

De reis naar Danpaati:

‘De tocht met de korjaal is een belevenis. De boot vaart met grote snelheid. Bochten worden afgesneden om de juiste hoek te kunnen maken tussen de rotsen in het water. Regelmatig duiken er dorpjes op.’

Hij ziet en ervaart de traditionele kanten van het Surinaamse leven. Vrouwen en meisjes doen de was in een kreek of ze zijn aan het zwemmen en baden. Sommigen met de borsten bloot, die ze meteen bedekken, zodra er toeristen in zicht komen. Jongens baden naakt – zij zijn niet verlegen. Talloze korjalen zijn er aangemeerd langs het water. Een meisje dat vist met een kleine hengel. En dan de pracht van de natuur: bomen, struiken, tjilpende vogels en stroomversnellingen, die hem imponeren.

‘Alles hier ademt een paradijselijke rust uit.’

 Na tweeënhalf uur varen ziet hij Danpaati. Een eiland met kleine huizen met rieten daken. Het eten valt tegen, maar de bar maakt het goed. Rum-- Dan is de tijd daar voor de toeristische attractie. Vijf donkere meisjes dansen in hun pangi; een stuk lap die ze tot boven hun borsten vastbinden.

De volgende dag wordt hij en andere toeristen met een korjaal op het water gebracht, waar ze kaaimannen konden fotograferen. Maar de kaaiman was iets slimmer dan de toeristen. Hij kent geen blanke mensen dus hij komt niet tevoorschijn. Uiteindelijk neemt De Haan een goed besluit: camera weg te doen en genieten van het moment. 

Danpaati bevalt goed, maar De Ware Tijd met nieuws over geweld in het land, bereikt hem tot diep in de bossen. Wanneer hij enthousiast gaat ontbijten, uitkijkend naar zijn Marronontbijt, krijgt hij tot zijn grote teleurstelling een Hollands ontbijt. Na het ontbijt gaat hij samen met andere toeristen in een korjaal mee om aan de overkant een boswandeling te maken. Bloesems die uit bomen vallen, getjilp van vogels die hij niet zien kan, houden hem bezig. Zijn vakantie is mooi! Al wandelend komen zij aan in een dorp waar De Haan vergezeld wordt door een groep kinderen die achter hem aanlopen.

 ‘Kinderen gebruiken de wand van hun hut ook als schoolbord. Met krijt hebben ze er sommen en woorden opgeschreven.’

Boven alles maken de donkere Marronvrouwen en hun lichaamsbouw een bijzondere indruk op de reiziger. Net zoals zij indruk gemaakt hebben op de dichter Michaël Slory, die een aantal gedichten over hen geschreven heeft. Oude vrouwen met bloot bovenlijf met manden vol van pannen op het hoofd sieren het aangezicht als een gebeuren op een ansichtkaart. Maar dan ontdekt hij de moderne cultuur naast het traditionele. Jonge meisjes willen niet langer met bloot bovenlijf tevoorschijn komen. Zij dragen een bh. Moderne stenen huizen staan naast oude lemen hutten. Dit is het nieuwe Suriname die langzaamaan het binnenland van Suriname zal overnemen. Een keer zal er meer niets overblijven van de oude culturen en tradities.

 ‘Mensen branden hier nog steeds hun kostgrondjes plat, voor de nieuwe aanplant. Op verbrande grond groeit het gewas veel beter. Maar ze hebben ook een mobiel. Waar vroeger iedereen met blote borsten liep dragen de jonge vrouwen nu behaatjes, steeds zie je twee werelden naast elkaar. Maar de kinderen zijn puur. De spelen onschuldig in de open natuur. Meisjes van vier, vijf jaar komen spiernaakt met een plastic teiltje op hun hoofd aangekomen. Hun moeder heeft de rest van de was en de afwas in een kruiwagen. ‘

Weer wordt hij ingewijd in kruidenkunde. Kruiden tegen hoofdpijn en bevallen. Kwassie bita of bitterhout om organen schoon te maken. De verhalen van de gids over eb en vloed, dat het juist fijner is wanneer de rivier uit zijn bedding treedt, want dan kunnen de dorpelingen met de korjaal verder in plaats van lopen. Dan een massage dat zeer zeker bij een excursiepakket hoort. En op het laatst: Rum-cola-De Haan. Zo sluit hij de dagen af.

In de ochtenden geniet hij van het strand van Danpaati, - en bij het ontbijt was er geen brood.

 ‘Wij hebben verlating met de broden,’ werd er aan hem verteld.

Na een kwartier komt een korjaal aan met broden.

Terug in de stad merkt hij dat zijn trouwe vriend, de grietjebie, geduldig op hem gewacht heeft. Iedere ochtend wordt hij door hem wakker gemaakt. Nooit een verzuim. Dan gaat De Haan voor de zoveelste keer naar het kantoor van De Ware Tijd om naar Michaël Slory te informeren.

‘Op de hoek van de straat talmt een vrouw die mij even alles doet vergeten. Haar huid is gitzwart, haar haren steil, ze heeft een lichaam dat een en al billen en borst is---‘

 De Haan citeert hierbij een gedicht van Michaël Slory

 

       Glorie van de dag

       twee zwarte ogen

       en donkere haren.

 

       Negervrouw!

 

       Wat heeft jou gebracht

       in deze warme straten 

       van de stad?

 

        Ere 

        aan de zon

        van je dijen.

 

       Ik zal je schrijven

       van je tenen af 

       tot je enkels

       en ver langs je dijen.

 

        Van je hielen af

        langs je kuiten

        tot voorbij je knieholten.

 

         Als een vogeltje

         zal ik duikelen

         in het lied van je lichaam.


Zijn appartement begint hij thuis te noemen:

 ‘Thuis ga ik langdurig douchen.’

 De Haan geeft zijn eerste les in gedichten schrijven aan de Schrijversvakschool in het bibliotheek CCS, Cultureel Centrum Suriname. Een studente vertelt aan hem dat zij Michaël Slory sinds haar tienerjaren kent. Hij gaf Spaansles aan haar. Michaël Slory werd op school geïntroduceerd als een groot dichter. Natuurlijk gaan studenten dan ernaar uitkijken om hem te ontmoeten. 

De Haan besluit om naar district Coronie te gaan, de geboorteplaats van Michaël Slory. Alhoewel, de dichter veel in de stad verblijft, heeft hij zijn ouderlijke huis nog in Coronie. Uit de tekst is het moeilijk op te maken of De Haan wel of niet naar het ouderlijk huis van Michaël Slory geweest is? Of hij wel of niet bij de buren langs geweest is om naar de dichter te informeren, wat in Suriname een normale gewoonte is.

 ‘We rijden verder passeren de transfiguratiedorpen Wakibasoe 1 en 2. Ze werden gebouwd voor al die mensen die daar woonden waar het stuwmeer ligt. Ik schrik van de armoedige huisjes met roestige metalen daken. Voor meer traditionele dorpen staat de sanpau, een poort met palmbladeren die boze geesten buiten de deur moet houden. Spelende kindertjes lijken zo uit een Afrikaans fotoboek van Leni Riefenstahl weggelopen. Vrijwel naakt en nat van het baden, hebben ze met de oranjerode aarde gespeeld.’

 Hengelaars doen hem denken aan een gedicht van Michaël Slory.

           Reeds

           is het hengeluur

           voorbij.

 

          En vader en zoontje

          spoeden zich huiswaarts

         onder het zonlicht

         door hun bromfiets gedragen.

 

          Zwijgend kijken de gezichten.

          Maar met de dagen

          zullen buren

          en vrienden horen

          de verslagen

          over het verre avontuur.

 

 Moe gaat hij weer terug naar de stad.

 Eindelijk is het grote moment daar!  De Haan komt via een personeel van De Ware Tijd telefonisch in contact met de vermaarde naar wie hij opzoek is. Wanneer Michaël Slory aanbiedt om naar de schrijversvakschool te komen, zegt De Haan: ‘Ik ben pas om negen uur klaar en meestal vrij moe na lesgeven.’

De volgende ochtend! Het is zover! Vandaag gaan ze elkaar vandaag ontmoeten! De Haan die gisteravond geen tijd had om met hem iets af te spreken, zit nu in een restaurant de minuten af te tellen en te wachten. De dichter laat een beetje opzich wachten.

Eindelijk ziet De Haan een glimp in de verte. De befaamde dichter komt op zijn dooie gemak aanlopen.

 ‘Ruim drie kwartier later dan afgesproken komt een gedrongen, donkere man het terras van Orlando oplopen. Hij is veel kleiner dan ik dacht. Mensen die je hoogacht maak je vanzelf groter dan je zelf bent. (…)

De dichter mag dan kleiner zijn dan ik hem inschatte, zijn gelaat doet iedere twijfel verdwijnen. Mager, haast benig is het. Doorgroefd door dagelijkse zorgen en gedachten. Een dunne, witte baard verlengt de kin. Hij draagt een baseballpet in de kleuren van Suriname. Groen en oranje is zijn shirt. Hij draagt een broek die tot net over de knie valt en op afstand de illusie van een ouderwetse drollenvanger geeft. Zijn leren schoenen zijn groot en zijn zo grof gesneden dat ze iets van orthopedisch schoeisel hebben. Hij heeft een lichtpaars parapluutje bij zich. Zo wapent hij zich blijkbaar tegen de kleine regentijd.

Slory zet de paraplu tegen de muur, een kleine tas ernaast en gaat naast mij zitten. De pet wordt ook afgezet en een, voor een man van zijn leeftijd, flinke bos grijze haren komt tevoorschijn.

‘Zal ik iets te drinken bestellen?’ vraag ik hem.

Slory zwijgt even en kijkt voor zich uit. Zelf heb ik al een koffie verkeerd op. Eigenlijk is het een gewone kop koffie waar de bardame vijf cupjes koffiemelk naast heeft gelegd.

‘Koffie verkeerd is toch koffie met heel veel melk?’ Informeerde ze voorzichting.’

Wanneer Michaël Slory eindelijk tegenover De Haan zit, heeft hij aan hem veel te vertellen. Hij vertelt hoe moeilijk het is om zijn boeken uitgegeven te krijgen. Dat hij achteraf toch spijt heeft om voor Suriname gekozen te hebben. Hij dacht voor zijn land te kiezen en bij te dragen aan zijn ontwikkelingen. Maar eenmaal terug, kreeg hij te maken met jaloezie. Als hij bij een krant zijn gedichten publiceert moet hij uitkijken dat de andere krant hem niet afwijst. Wanneer hij zijn boeken in Nederland uitgeeft, wordt hij in Suriname genegeerd door mensen die hem het licht in de ogen niet gunnen. Hij vertelt dat hij niet genoeg erkenning van zijn landgenoten krijgt en dat hij in Nederland de filmwereld in kon, want ze vonden zijn gezicht fotogeniek. Hij vertelt over Mulisch die hij in zijn jonge jaren gekend heeft. Zij waren goede bekenden van elkaar. In die tijd wisten geen van beiden dat zij ooit een keer tot een beroemdheid zouden uitgroeien, beiden in hun eigen land.

‘Overal op de wereld heb je jaloezie. Ik heb mensen weleens verteld over Mulisch die nu overleden is. Ik had naar Mulisch moeten gaan en had moeten zeggen; schrijf iets over me, voor mijn biografie, dan verkopen we dat ding en dan verdien ik geld.’ (…) Een Hollandse pedagoog, De Boer, zei eens lang geleden tegen mij tijdens een wandeling: ‘’Een land zonder dichters en schrijvers is dood!’’ ‘

Michaël Slory vertelt over het gemis van een vrouw in zijn leven. Hij vindt dat hij in Nederland gemakkelijker aan een vrouw kon komen dan in Suriname. Hij heeft veel gedichten over vrouwen en de liefde voor vrouwen geschreven.

Michaël Slory is intellectueel en zeer breed georiënteerd. Hij praat over Afrika, Zuid-Amerika, Amerika en over Obama die hij als een doorbraak ziet, gezien zijn afkomst. Eindelijk een Afro-Amerikaan die zover gekomen is. De strijd die op de achtergrond geleverd is voor dat het zover kwam is onoverzichtelijk. Michaël Slory, bekijkt de toekomst van Suriname vanuit verschillende perspectieven. Bijvoorbeeld, waarom Engels belangrijk is voor Suriname? Waarom Spaans belangrijk is voor Suriname? Engels is goed om contact te maken met het buurland Guyana, en ook met Amerika. Die contacten vind hij erg belangrijk voor de ontwikkelingen van de mensen op persoonlijk niveau. Dat men van elkander weet, van elkander leert en elkander eert. Spaans is om het contact te maken met Latijns- Amerika, want de Afrikanen aldaar, hebben iets met elkaar gemeen: het donkere verleden.

Michaël Slory verteld over de knusheid van zijn jeugdjaren in Coronie en hoe men generaliseert in de stad, waar hij voor een zwarte man aangezien wordt. Terwijl in Coronie iedereen hetzelfde eerbied van elkaar ontvangt. Dus de stad is niet vriendelijk tegen Michaël Slory, maar wat moet een dichter zonder een stad? Een dichter heeft publiek nodig!

De Haan interviewt de dichter over de talen waarin hij schrijft. Sranang, Nederlands, Engels en Spaans. Ook heeft hij geld vanuit Nederland meegenomen voor hem. De dichter schijnt er van op de hoogte te zijn. Voorzichtig informeert hij ernaar? Want de bank is vlakbij. Om welk geld gaat het hier? Heeft de uitgever Franc Knipscheer een honorarium gestuurd voor de boeken die hij van Michaël Slory heeft uit gegeven?

‘Maar nu, u zou mij wat geld geven…Ik ben vlakbij de postspaarbank. Zijn het euro’s of is het Surinaams? Ik wil het geld liever niet bij mij hebben…al zal het niet zo veel zijn.’

We spreken af elkaar over een uur voor het Spanhoekhotel te treffen. Dan holt Slory, opvallend snel voor een man van zijn leeftijd, de straat over en verdwijnt in de menigte.’

Over een uur ontmoeten zij elkaar weer. Samen gaan ze naar een restaurant waar de dichter moeite had om een menu uit te kiezen. Uiteindelijk bestelde hij nasi, waar hij enorm van genoot. Hij sprak verder over de ontwikkelingen in het land en de mogelijkheden wat het allemaal zou brengen als Surinamers meer talen spraken en als de regering wat meer moeite deed om Suriname met de buurlanden te verbinden. En uiteindelijk vertelde hij dat, waar alle dichters onder lijden in Suriname: jaloezie, haat en nijd.

Ook Michaël Slory, een oude man, laten ze niet met rust.

De Haan neemt afscheid van Michaël Slory. Ze zouden elkaar nog een keer terug zien, maar Michaël Slory was nog onderweg naar hem toe en de reiziger moest op tijd het vliegtuig halen.

 

Uit een bloemlezing: Moderne Devoties/ 2005

Saya Yasmine Amores

 DE KIKKER IN HET RIOOL

 

         God

         Diep in mijn oren suist zijn stem.

         Soms zit hij boven mijn hoofd

         in de boom te zingen!

         Sprankelt hier en daar en overal,

         is aanwezig en toch nergens te vinden.

         Dan kijk ik hoog in de hemel,

         totdat mijn nek kraakt.

         Terwijl hij (ergens) bij mijn voeten waart.

Ongeveer honderddertig jaren geleden emigreerden mijn voorouders als contractarbeiders uit het noorden van India naar Suriname. Als immigranten namen ze enkele dingen mee uit hun land: cultuur, traditie, gewoonte, God en godsdienst. In dit essay zal ik het over het geloof hebben. Wat is geloof voor mij? Ik geloof wel in God, maar als ik over God praat, kom achter God altijd het woordje ‘maar’. Dat ‘maar’ gebruik ik omdat ik iets uit te leggen heb. Ik geloof wel in God, maar ik ben niet gelovig in die zin - dat ik tempels of kerken bezoek met het doel om er te gaan bidden.

God Krishna

De radio zong in mijn jeugdjaren: Bacé man ke sacé sare jagh ke ānkh ke tārā, yeh nandhe hai bhagvan ke piāre – Kinderen zijn rein van geweten, de ‘oogappel’ van de hele wereld, deze kleintjes zijn de lievelingen van God.

Ook ik was ooit rein van geweten en een lieveling van God. In de vroege dageraad, toen de nevels nog als kristal op gras en groen lagen, stond ik op de eerste tree van de trap met nauwelijks de oogjes open. Van daaruit bespiedde ik het ochtend gebeuren in de wereld die voor mij lag. Zo zag ik de nevelige wijdse weiden en de grazende koeien op het land. In de witte wolken zag ik de figuren van God Krishna en zijn koeien.

De vroege zon kleurde hen zacht rood. Het was prachtig – ik kende geen andere wereld dan de kleurrijke wereld die mijn kinderogen zagen. God Krishna en zijn koeien waren veel groter dan op het plaatje in mijn slaapkamer, waar moeder tot de goden bad. God Krishna was heel bereikbaar voor mij, maar ik deed niets om contact met hem te leggen. Ik wist niet dat het bijzonder was om God Krishna te zien. Ook wist ik niet dat alleen ik hem zag.

Ik was een kind dat moeilijk in slaap kon vallen; daarom werd ik ’s ochtends ook moeilijk wakker. God Krishna had ik al heel lang niet meer gezien. Ik vroeg aan mijn moeder waar de blauwe God bleef. Moeder was geen moment geschokt. Zij stuurde mij niet weg, wat zij normaal deed wanneer de kinderen met tientallen onbenullige vragen aankwamen. Integendeel, zij begon mij uit te horen.

God Krishna tilde moeder op naar een niveau dat een kind niet begrijpen kon. Ik moest de vrouw die samen met God Krishna aan de hemel kwam heel goed beschrijven, dus tekende ik figuurtjes in de lucht. Moeder volgde mijn wijsvinger aandachtig en niet één kleine beweging ontging haar.

De andere goden kon ze niet in verband brengen met de koeien en het rijtuig.

       ‘Shiva is ook blauw’, mompelde ze.

       ‘Heb je een tijger gezien?’

Nee, ik had alleen koeien gezien. Soms andere dieren, herten misschien, maar geen tijger.

Ze nam mij mee naar mijn slaapkamer, waar zij in een hoekje aan de muur talloze plaatsjes van goden en godinnen had opgehangen. Ik moest haar aanwijzen wie ik allemaal precies gezien had.

Tja, Goden laten zich alleen aan kinderen zien, want kinderen zijn rein in hun hart en ze liegen niet als grote mensen. Zolang Krishna de Aarde wijdde met Zijn Heilige Voeten, kon de Kali-yug, slechte tijdperk, de Aarde niet raken,´ zei moeder, en ze overdacht of Krishna nu wel echt terug was. Heeft Hij de Aarde geraakt met zijn heilige voeten?

De maanden die daarop volgen, vroeg ze keer op keer of ik God Krishna weer gezien had. Ik wilde wat verzinnen om haar blij te maken, maar ik wist dat zij op dat moment alles zou geloven wat ik zou zeggen. En ik kon haar dat niet aandoen. Dus bleef ik stil.

         Halfnaakt hangen wij over de trap.

         Kwaak-kwaak kwaken

         de kikkers in het riool!

         Een twee drie

         neen, een twee

         neen, een twee, een…

         zij springen tjoeloep….tjoeloep…

         boven en onder het water.

         Zo raak ik de tel kwijt.

        ´Tellen kan jij niet.

         Jouw juffrouw is zelf dom.

         Mijn tafel ken ik uit het hoofd.

        1x4…,´zegt R. die zelf niet leren kan.

        ´Dat heeft niks te maken met kikkers,´

         schreeuw ik haar toe.

        ´Jij bent net zo dom

        dom dom dom als jouw juffrouw

       en alle kinderen uit jouw klas.

       Klas 2 A is dom dom dom,´zingt zij.

©Saya Yasmine Amores

Uit een bloemlezing: Moderne Devoties/ 2005

 ''Na die dag werd ik ernstig ziek. Jaren later ben ik erachter gekomen, dat mijn moeder mij die dag meteen met voodoo bewerkte. Bij mijn geboorte had de handlezer gezegd dat ik wijs ben en direct contact heb met de Goden (eingelijk engelen). Mijn moeder die mij al vanaf mijn geboorte bewerkte, schrok heftig dat ik weer contact had met de engelen. En ze begon mij weer te bewerken. Jaren en jaren ging ze ermee door. Ik bleef jaren en jaren ziek. Ik was helemaal kapot. Het deed haar niks. Het doet haar niks. Waarom?"

 


 EN DE ZEE SPLEET IN TWEEEN

Ik heb dit boek gelezen omdat ik de auteur ervan Ibrahim Selman ken. Wij zaten bij dezelfde uitgever en als je elkaar kent dan informeer je naar elkaars boeken. Een ander reden waarom ik dit boek ben gaan lezen is dat ik de omslag mysterieus vind. Het is alsof iemand zijn gezicht niet wil laten zien en toch komt hij heel even wazig tevoorschijn. Zoiets van: Ik ben er nog.

En de zee spleet in tweeën gaat over de oorlog in Koerdistan. De verzet strijders genaamd Peshmerga’s, strijden tegen het regiem van Sadam Hossein. Shero, een programmamaker bij de Iraakse staatsomroep, draagt bij aan de stem van de Peshmerga’s. Zijn leven is in gevaar. Hij moet zijn vrouw en twee kinderen achterlaten en wegvluchten van Bagdad. Zijn vluchtroute is: Bagdad, Iran, Syrië om uiteindelijk in Holland aan te komen- het land van vrijheid-. Onderweg ontmoet Shero talloze mensen met wie hij korte vriendschappen heeft. Hij is goed in het leggen van sociale contacten. Hij spreekt mensen aan alsof hij ze allang al kent. En de vriendelijkheid wordt even hartelijk beantwoord. (In oorlog en nood praten mensen veel gemakkelijker tot elkaar en delen elkaars leed.) Hij hoeft alleen maar zijn naam te noemen en mensen weten meteen wie hij is: de radio programmamaker die kort geleden dingen zei die hij niet had moeten zeggen. Gauw bespreekt hij één en ander over zijn situatie. Informeert hij naar de nodige informatie die hij nodig heeft en ging daarna verder --.

Heel het reis wordt hij achtervolgd door de geest van zijn overleden vader. Hij had een hechte band met hem. Hij was een geestelijke leraar van wie Shero veel leerde over het leven, het verleden, de geschiedenis van het land, en van de mensen die er niet meer zijn.

Iedere avond kijkt hij naar zijn horloge en bedenkt wat zijn gezin tegen die tijd thuis aan het doen is? Moe en uitgeput van het vluchtend gaat hij op een stoel zitten en visualiseert zich hoe het zou zijn als hij niet weggevlucht was? Hoe alles zo normaal zou zijn om thuis te zijn als hij zijn mond niet open gedaan had om openlijk de Peshmerga’s te ondersteunen. Hij zou van werk komen. Zijn zoon zou op hem wachten langs de straat en naar hem toelopen om hem te begroeten als hij hem zag aankomen. Iedere avond drinkt hij om de tegenstrijdige gevoelens in toom te houden, maar het alcohol werkt andersom. Het brengt alle vergeten herinneringen weer naar boven. Vooral de herinneringen aan zijn vader aan wie hij zoveel te danken had. Zijn vader die zoveel liefde had voor zijn land Koerdistan en die nooit op de vlucht ging, want voor hem was er maar één land: Koerdistan. Het land waar zijn stamboom sinds onheuglijke tijden woonden. Zijn vader wilde zijn eerste kleinkind zien nog voor hij stierf, maar hij werd vermoord en hij heeft het eerste kind van Shero niet gezien. Ook zijn grootvader overleed nog voor Shero geboren werd. Kleinkind Shero heeft zijn grootvader niet gezien en hij hem niet. Mensen worden niet oud in zijn familie. Niemand weet wanneer er weer en aanslag gepleegd worden. Iedere dag dat zij leven wordt gekoesterde. Heel het boek is een terugblik op pijn en leed van mensen die hij verloren heeft hoe en waar of van verhalen van anderen mensen die hij van horen zeggen heeft. Een ieder heeft iemand verloren in de oorlog. Mensen sterven jong. Ook weten ze niet waar lijken begraven liggen van hun dierbaren over talloze lijken die opstaat gesleurd worden.

Zijn vader leerde hem om moedig te zijn onder alle omstandigheden. Om standvastig te zijn. Om wat te doen voor zijn land zonder in de handen van de vijand te komen. En dat was de strijd in het hart van zijn vader: willen dat zijn zoon iets voor het land doet en tegelijkertijd moet hem niets overkomen. Zijn droom was dat er een boek geschreven werd over Koerdistan, zodat de wereld lezen kon wat er daar geschiedde. Hij moedigde Shero aan om het verhaal van Koerdistan aan de wereld te brengen. Schrijf het verhaal van Koerdistan, en vertel het aan de wereld. Laat de wereld over onze leed weten. Weten wat ons eigen mensen met ons eigen mensen gedaan hebben. Laat de wereld weten hoe wij in angst leven, zei hij tegen zijn zoon. Om een boek te schrijven heeft men rust in de geest nodig. Shero was altijd ontdaan door de situatie in het land. Hoe moest hij met zo’n grote toekomstige taak nog rustig met zichzelf leven?

 En de zee spleet in tweeën, geeft een terugblik op Koerdistan. Dorpen waar mensen ooit woonden veranderde in ruïne. De oorlog had veel vernietigd en de vernietiging ging elke dag door. Mensen waren nogsteeds op de vlucht. Vooral de positie van journalisten waren in gevaar. Shero zal dat moeten weten waarom liet hij zijn sympathie voor het verzet openlijk blijken, weten dat hij zijn vrouw en kinderen in gevaar brengt?

Onderweg slaapt hij in hotels, bij onbekenden, vrienden, kamers die op het laatste moment gauw geregeld wordt. De momenten dat hij alleen is, is zwaar. Heimwee kwelt hem niet alleen het gemis van het gezin maar ook de herinneringen aan zijn jeugd. Dan komt de schim van zijn vader weer tevoorschijn in het nachtdonker. Hij gaf zijn leven voor Koerdistan. Ook zijn grootvader gaf zijn leven voor Koerdistan. Vele andere familieleden, vrienden en kennissen gaven hun leven voor Koerdistan. En Shero zelf is op de vlucht.

Shero, is niet altijd de moedige journalist die geen blad voor zijn mond heeft. Hij is ook een gewoon mens zoals ieder ander mens die ook weleens bang is. Pagina 88.

‘Morgen begint mijn reis naar de duisternis. Bid voor me. Ik ben bang, moeder. Ik weet dat de Koerdische mannen dat niet mogen zeggen. Maar ik wil niet liegen. Ik ben bang gedood te worden.’

Tijdens het vluchten komen dergelijke vragen in hem op: Wat zou erger zijn? Sterven in een onbekenden land? Of blijven in je eigen land en in angst leven?

 Het boek is poëtische beschreven. Zinnen hebben een diepgaand wijsheid.

 Pagina 165.

Je keek per ongeluk in de ogen van de vrouw die naast je zat. Je blik werd opgezogen door een beangstigende diepte. Je voelde een grote turbulentie. Je kon niet geloven dat ogen zo’n diepte komende hebben. Dat ze zulk een verdriet konden bevatten. Je durfde niets te vragen. Je wende je blik af. Je wilde niet betrokken raken bij haar verdriet. Je was bang dat je je verdriet in het hare zou verliezen. Je deed je ogen dicht.’

Zijn leven was voorbij toen hij een kind was en overal het geweld van de oorlog zag of hoorde. Pagina 166.

‘Op weg naar school hoorde je geweerschoten en zag je een auto zo snel rijden dat de banden bijna van de grond loskwamen. Je stond te kijken en rozijnen te eten. Je besefte niet dat je door een kogel geraakt kon worden. In de avond vertelde je vader dat de opstand van de Koerden was begonnen. Je begreep er niets van en midden in de nacht moest je met alle dorpelingen het dorp ontvluchten en urenlang in een grot schuilen. Niet lang daarna moest je je dorp definitief verlaten en richting Bagdad gaan.

De eerste schooldag in Bagdad was onvergetelijk. Je kwam tussen honderden vreemde kinderen terecht. Je voelde je alleen in die massa. Iedereen staarde je aan. Je verstond niet wat ze zeiden. Je ging op een stoel zitten en wachtte tot de onderwijzer kwam. Je verwachte een aardige man die je situatie kon begrijpen. Je zag hem lelijk naar je kijken, en zonder aanleiding af hij je stokslagen terwijl de leerlingen lachten. Je huilde niet en keek uitdagen naar de man die je zomaar sloeg. Je keek hem aan met dodelijk blik. Je zag hem nadenken. Je besloot je zwakheden te verbannen en tegen het onrecht te vechten. Je was op je achtste een volwassene.’

Acht maandenlang is hij op de vlucht. Geen één keer heeft hij contact gehad met zijn vrouw en kinderen in deze periode die hem iedere avond bezoeken in zijn visualisatie. Eindelijk komt hij naar Holland waar hij opgevangen wordt door zijn lotgenoten. Twee maanden later komen zijn vrouw en kinderen aan in Holland. Hij komt laat aan op het vliegveld. Zijn gezin was al afgehaald door zijn vrienden. Wanneer Shero daar aankomt, ziet hij een vrouw en twee kinderen rustig slapen. Langzaam maakte zij haar ogen open en keek hem wazig aan.

Copyright: Saya Yasmine Amores

 

 VRIJHEID IS DOOD

 

       Tijd

       De jaren vallen achter mij

       een voor een

       niet als rotte appels

       op de grond maar

      ze volgen mij

      winnen steeds terrein

      en als ik op de kalender kijk

      zie ik

      de zwarte jaren

      die mij opjagen en roepen:

      val

      val

      val dood

 

      langzaam verlies ik

      mijn kracht

      mijn huid rimpelt

      mijn haren vallen

      een voor een uit

      de rest

      wordt wit

      een voor een

      soms twee tegelijk

 

       De tijd kan de dood niet doden

       en terwijl ik nu denk

       wint de dood tijd

       het leger van jaren achter mij groeit

       het duwt me vooruit

       in de armen van de dood.

Op pagina 35 staat het gedicht Tijd. Er zullen weinig dichters op deze wereld zijn die zich niet bezig gehouden hebben met de tijd. Een ieder mens strijd met de tijd. De één vanwege ouderdom, de ander vanwege een verlies, weer een ander vanwege een verlangen –

De tijd speelt altijd een rol in het belangrijk gebeuren van de mens. Of het leed of plezier is. In de gedichten van Ibrahim Selman is tijd een pijnlijk verschijnsel, omdat het terug blikt op de oorlog in zijn geboorteland Koerdistan. Tijd zegt alles of tijd zegt niets. Het zegt alles omdat men tijd moet winnen om te vluchten voor zijn en haar leven. Tijd zegt alles omdat men zoveel mogelijk bij elkaar wil blijven, want je weet niet hoelang het samenzijn nog kan duren in een land waar oorlog hoogtij viert. Maar tijd is niets, als je toch maar niets kan veranderen aan de situatie. Als je je dierbaren niet redden kan. Je kijkt, je kijkt, en één voor één verdwijnen je dierbaren in de duistere nacht van de oorlog. Soms wil je hun redden, soms jezelf, maar uiteindelijk kun je niemand redden.

        en als ik op de kalender kijk

         zie ik

        de zwarte jaren

        die mij opjagen en roepen

 

Over het algemeen geeft een kalender belangrijke feiten aan van geboorte: verjaardagen, huwelijken, afspraken --. Maar in een land van oorlog is de kalender zwart. De jaren die voorbij zijn waren zwart. De jaren die nog komen zullen zijn zwart van onzekerheden. En toch is er ergens een lichte hoop dat alles goed zal komen. Dat men ineens wakker zal worden en zien dat de oorlog een droom was. En dat men in het dorp en in het gezin altijd gelukkig geleefd heeft. Dan verschijnt de ouderdom.

 

mijn huid rimpelt

mijn haren vallen

een voor een uit

 

Wat is het leven van de mens? Voor een klein beetje geluk dat wij op aarde krijgen, trotseren wij alle pijn en leed in de hoop dat morgen alles goed zal gaan. Dat wij morgen allemaal gelukkig gaan zijn. Maar morgen brengt niets anders dan ouderdom. En ouderdom brengt rimpels. In de rimpels schuilen de voorbije jaren. De herinneringen die men liever vergeten wil weerspiegelt in de plooien van de huid. Hopen dat het toch nog goed komt in het land. Voor de kinds kinderen geven wij niet op. Blijven bidden. In God geloven. God zal Vrede op aarde brengen. Dit is een mooie droom die iedere bejaarde koestert. En dromen moeten er zijn. Dromen moeten er zijn, ook al brengt het een heel klein beetje geluk. Voor dat klein beetje geluk, gaan wij door –

       13 over 13

       Als de warmte binnen in mij niet zo heet was

       als je van koorts niet zo bloos was

       als de lucht niet zo koud was

       had ik je niet ontmoet

       als januari niet zo oud was

       als het geen 13 minuten over 13 was

       als we niet zo jong waren

       hadden we elkaar niet bemind

       inmiddels zijn vele januari ’s gestorven

       vele malen tikten de klokken 13 over 13

       de hitte binnen in mij ligt onder  de sneeuw

       en jouw koorts is een blok ijs geworden.

Op pagina 44 is een gedicht die opvalt door de titel alleen al. Het sluit goed aan op het gedicht van pagina 35. Het gaat over de tijd. Over de eerste maand van het jaar: januari. Het gedicht raakt mij vanwege de zachtheid van de woorden. Het verlangen naar liefde. Naar de kalender kijken als rechtvaardiging van: Het moet toch kunnen, het is al tijd! Maar januari die net begonnen is, is al oud geworden.

       als januari niet zo oud was

       als het geen 13 minuten over 13 was

 Er zit veel verlangen naar de liefde, maar op de één of ander manier heeft tijd hier de overhand.

       als we niet zo jong waren

       hadden we elkaar niet bemind

 Vele januari ‘s sterven en de liefde wordt niet beantwoord. De klok blijft 13 over 13 tikken, maar de liefde heeft nog niet aangeklopt. Ook al is de liefde niet beantwoord dit gedicht blijft een mooi gedicht. Er zit veel verlangen in. De lezer wordt geraakt door de diepgaande emoties die voelbaar is als men zich intens verdiept in de woorden.

 Copyright: Saya Yasmine Amores

JD Visitor

5210